Simon Vestdijk

Vestdijk was de zoon en enig kind van de gymnastiekleraar Simon Vestdijk, en Anne Mulder. Hij groeide op in Harlingen - in een aantal boeken komt het stadje terug als Lahringen. Hij ging er naar de driejarige HBS, waar zijn vader, een strenge man, gymnastiekleraar was. Daarna ging hij naar de Rijks-HBS te Leeuwarden. Vestdijk was een goede leerling maar vond weinig aansluiting bij leeftijdgenoten. Vanaf zijn zeventiende had hij regelmatig last van depressies. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later onder meer in de Anton Wachter-cyclus. Van jongsaf aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen, die in die jaren dezelfde studie volgde en samen met hem lid was van de Amsterdamse studentenvereniging Unitas Studiosorum Amstelodamensium (U.S.A.).
In 1918 debuteert hij met anderhalve bladzijde proza, onder de titel 'Gestileerde waarnemingen', in de studentenalmanak van de U.S.A.. In 1926 nam voor het eerst een literair tijdschrift gedichten van hem op. In De Vrije Bladen verscheen: 'Riem-zonder-eind' en in datzelfde jaar 'Zonsondergang'. Tezelfdertijd overweegt Vestdijk in de muziek door te gaan, en neemt een half jaar lessen in harmonie en contrapunt. In 1927 doet hij artsexamen, waarna hij tot 1932 als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam is. Nog steeds niet zeker van zijn roeping studeert hij in 1928 in Leiden korte tijd filosofie met als hoofdvak psychologie. Ook houdt hij zich bezig met astrologie. Net als Slauerhoff was hij korte tijd scheepsarts. Na 1932 wijdde hij zich geheel aan de literatuur.
In 1932 volgt zijn offici?le schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum. Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. Als eerste van die cyclus wordt in 1934 Terug tot Ina Damman uitgegeven door de uitgeverij Nijgh & van Ditmar. Deze uitgever en ? vanaf 1946 ? uitgeverij De Bezige Bij zullen tot Vestdijks overlijden in 1971 zijn totale romanoeuvre uitgeven. Vanaf 1936 woont Vestdijk samen met Ans Koster-Zijp, tot haar overlijden in 1965. Van februari 1938 tot juni 1939 is Vestdijk redacteur kunst en letteren van de Nieuwe Rotterdamse Courant. In dezelfde periode wordt hem de C.W. van der Hoogt-prijs toegekend voor zijn roman Het vijfde zegel.
Van 4 mei 1942 tot eind februari 1943 wordt Vestdijk door de Duitse bezettingsmacht vastgehouden als gijzelaar in Sint-Michielsgestel en Scheveningen. Van 1945 tot 1948 is hij redactielid van Centaur en criticus voor Het Parool. In 1949 wordt hij redactielid van Podium en medewerker van Het Algemeen Handelsblad. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1955 wordt hij Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en ontvangt hij de Constantijn Huygens-prijs van de Jan Campertstichting voor zijn gehele oeuvre, dat op dat moment zo'n 80 titels telt. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hem echter nooit zal worden toegekend. In 1964 verleent de Rijksuniversiteit Groningen hem een eredoctoraat in de letteren.
Na het overlijden van Ans Koster-Zijp in 1965 trouwt hij met Mieke van der Hoeven, met wie hij een zoon (1967) en een dochter (1969) krijgt. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart op 72-jarige leeftijd in het Academisch Ziekenhuis te Utrecht. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'

